Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12 B BRIEF. OVER DE

bewijzen van een langduurig verblijf in dezen oord, of van het rottend vergif den lijken die dezelve vervulde , vertoonden. Een tot fpaanders verbrijzelde kist, en de ontkleede beenderen tusfchen die vergaane brokken en het verteerde ftof vcrftrooid, trof mij ontzettend. Diep , onuitfprckelijk diep, gevoelde ik bij dien aanblik de heer? fchappij des verderfs, en de verlatenheid des doods — daar alle bewijzen van achting en zorg voor deze eertijds zoo eerbiedig opgepaste adelijke wezens ophoudt, zo dra het vermogen om te beloonen met deze. dooden ftierf.

O — dacht ik — wat is toch wereldgrootheid, die zoo in het ftof verdwijnen moet! welk onderfcheid is er nu, nu de kostbaarer kist en het fijner doodkleed, ■met het lijk, dat daar in lag, verteerd is, tusfchen deze adelijke beenderen en die des daglooners, die ik onlangs in het beenderhuis verzamelen zag. Eens, 't is waar, Afroomde er adelijk bloed door deze verteerde aderen; eens was misfchien fchoonhüd of bevalligheid een fieraad van deze ieder gekoesterde leden, maar in 't einde Week het, dat zij , even als alle kinderen van Adam met het verderf' vermaagfchp.pt, ra onder de wet der fterfelijkheid befloteu waren. En al het onderfcheid, dat hun ia

dit

Sluiten