Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 SINT NICOLAAS of het.

Myn kind is pas achtten en ik denk dat het waar is, Dat haar minnaartje lief noch geen twintig jaar is. Kaatje.

Wel nu! dat is beter, zoo ik vertrouw, Als dat de man viermaal zoo oud is als de vrouw: Waarlyk ge wilt Uw dochter al fraay opfchikken I (Kaatje gaat met het hoofd knikkende bet vertrek op en neer.) Mej: Bigót. Wat deert U dat gy dus met tuv hoofd loopt knikken.

Kaatje, boetende. Och, och! myn borst.... myn borst, wat doet die. borst my zeer,

Mej: Bioör. Gy fchynt verkoud Kato, het is ook windrig weer. Kaatje.

O je, O je, wat pyn ! wat kan die jigt my plagen'

Mej: B r c o t. Het is gewis de kramp die u van pyn doet klagen.

Kaatje, gaat zitten. ^ Och Ifibella! och , breng tog wat kusfens aan, Geef my een warme floov ! wil naar deu dockter gaan: Dathytogaanftondkoomt. Helaas! Ikzal'tbederve.

TWEEDE TONEEL.

Me jUFFk ou w Bigót, Kaatje, I sabel , met drift in de Kamer komende.

Ka at je knorrende. Waar bleef gy nu zoo lang?'k riep u reeds menigwerve. Ach ik vergaa van pyn ! ^arja , men teld my niet,'

't is

Sluiten