Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijo de onderlinge betrekking

ging te vcrkrygen, dat hy eerst de behoorlyke bewyzen, langs denzelfden weg als de Wysgeer, moet vinden en leeren begrypen; en dat dan zyn eigenlyke arbeid eerst begint; dat hy dan eerst de kaai t of platten grond heeft, waarnaar hy het gebouw zyner redeneering vervolgens moet optrekken. En dit zy genoeg van het byzonder verband tusfchen de Welfpreekendheid en Wysbegeerte. Wy gaan over tot de Dichtkunst.

Poëtica nihil aliud eft quam Philofophia pro tempore venufta, zegt Maximus Tyrius (*). Wat hy ook door tempore venufta verftaan moge, hy noemt de Dichtkunde Wysbegeerte; en zekerlyk fchynen deeze twee weetenfchappen zonaauw met eikanderen verëenigd, dat ze als een geheel kunnen worden aangemerkt. Zodra 'er de eerfte beginfelen plaats hadden van't geen wy philofophecren noemen; zodra dit de voorwerpen aan de hand gaf, was ook de Poëzy aanweezig om die voorwerpen af te fchilderen. De oudfte fchriften die wy by mogelykheid kunnen bezitten, zyn indedaad Poëzy (r). Het bevallige , het inneemende van de taal der Dichtkunst, haar invloed op het hart en de verbeelding , maakte haar altoos tot eene gefchikte Leermeesteresfe der menfehen. De verftandige Grieken geloofden dat zy, zo wel als alle fraaije kunsten, niet alleen tot verbetering der Zeden, maar ook tot

on-

(*) Serm. 20.

(»0 Men vindt dit breedvoerig betoogd in de werken van Schultens, MicKAè'Lis, Hess, Niemeye r en anderen, voornaamlyk door den Abt Jerüsalem, in zyne Brief e über die Mofaïfche Schriften f. 86. Zie ook H. v. Alp hen, Dichtkundige Verhand, bl. 18.

Sluiten