Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERDEDIGEN DER OPENBAARING. 239

den, waarop de historifche waarheden rusten, vervat zo wel in de Schriften des Ouden als des Nieuwen Verbonds, en by welke waarheid wy zo veel belang hebben (#)• Dit is toch het ftruikelblok voor het Ongeloof. Wy fpreeken thans niet van de innerlyke bewyzen , ontleend van de voortrellykheid der zedeleer, en de geheele ftrekking der Godsdienstige voorfchriften van het Euangelie (gg) ; die zo zeer van derzelver verheven , Godlyken oirfprong getuigen, dat zy haar verkondigers boven alle verdenking Hellen van ooit het menschdom te hebben willen misleiden. Ik weet wel , dat het Ongeloof, geweldig tegen de Apostelen vooringenomen , geen middelen onbeproefd laat , om hun gezach in twyfel te trekken; dat het ons geftadig toeroept : wees op „ uw hoede ! 'er zyn zo veel vroome bedriegers „ geweest." Ik erken het; maar wat toch bewyst dit

88-

(ff) Vooral om ons op redelyke gronden te overtuigen. Willen wy immers de leer van Christus en zyn Apostelen verftaan , dan wordt ons hun gefchiedenis onöntbeerlyk. Deeze gefchiedenis, en een zaaklyk verflag van de grondlegging der Christelyke kerk , ftaan tot de ieer des Nieuwen Verbonds in dezelfde noodzaaklyke betrekking, als de gefchiedenis der Aartsvaderen en hunne nakomelingen tot de leer des Ouden Verbonds.

(gg) De Hoogleeraar hesselink heeft te recht aangemerkt, dat steinbart, semler en anderen, in deeze bewyzen te veel kracht ftellen , wanneer zy die, afgezonderd, op zich zeiven, en niet in genoegzaam verband met de historifche bewyzen befchouwen. Uitlegkundig Woordenboek, bl. 100.

K

Sluiten