Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*C 53 > Al 't voortrèflijk goed, de zegen'

Van rijkdom, aanzien, eer, hoe mild, Hoe ruim , hoe onverdiend verkregen, Wordt op 't ondankbaarst dus verfpild.

Men misbruikt al wat God gav; Wendt hart en oogen van hem af; ja de overvloed zie 'k waapens fmeeden, Daar men de Godheid meê beftrijd, Door 't al aan zonden te befteeden, Dus men gebed noch dank God voor zijn gaven' wijdt.

Al het zielbedrijv, al 't neigen,

Al 't ligchaams zwoegen, al 't gewoel Stijvt die trotschheid: niet dan 't eigen Is overal 't gelievkoosd doel;

Ja 't is de afgod,' dien men eert,' De fpil daar 't ai op draait en keert. Wordt God dus uit het hart gefloten, Erkent men hem niet in 't genot, Zijn naam blijvt van den mond verftooten; Èn in zich zelvs vernoegd, is ziel, noch tong voor God.

C Trotsch-

Sluiten