is toegevoegd aan je favorieten.

Reinhart, of Natuur en godsdienst.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33°

IV: BOE K.

was uw gelaat mij niet vreemd; het droeg , in mijne oogen, den ftempei van ftille, op den grond der tegenfpoeden gegroeide, deugden, die mij geheel innamen; zulk een mensch heb ik op deeze Colonie nog niet ontmoet; hoe gunftig achtte ik het toeval dat u tot mij voerde! een jonge vriend der deugd is den ouden eenzaamen man zoo welkom.

ik. Al de winst is aan mijne zijde; en eenzaam, doodlijk eenzaam te leeven , dit is mijn lot: maar de man die zulk gezelfchap heeft, als gij, mijnheer ! kan niet over eenzaamheid kjaagen,

dubingthon. Mijne dochter, meent gij? gij hebt gelijk; zij is...

ik. Hoe veel afwending van fombere gedachten moet elke opflag van haare oogen , elk woord van haare lippen voor u opleveren! hoe veel...

dubingthon. Duizendmaal heb ik dit ondervonden; duizendmaal heeft haare kinderliefde, haare zachte vrolijkheid , de rimpels der zorgen van mijn gelaat afgeftreken; en, in 't midden van alle mijne rampen, noemde ik dan het vergramde noodlot niet meer toornig, daar het mij nannie behouden liet; genoegelijk is het

mij,