Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den vondel als dichter. 5*9

De benden van het Hemelsch Heir. De voerman van den grooten Beir, Op dat hy zyne beurt verwisfeP, Vlugt heen met omgekeerde disfel. De goude Titan ryst alree Met blaauwe paarden uit de Zee, En r±ittert over bosch en duinen En Idaas bladerryke kruinen.

Begeert ge echter ook nog iets uit het Grieksch, wy kunnen niet nalaaten de volgende fchoone'Dichtregelea medetedeelen, die hy uit de Phoenisfa van euripides heeft overgenomen.

o Dubble berghtop, klaer befcheenen

Van 't licht der zonne! o vruchtbre kruin, Begroeit met wyngaart rontom heenen

En ranken, eedle druiventuin! Gy fchaft hier Nectar alle dagen!

Die 't hart verheugt, o drakennest! o Toppen, daar de Goón uit zagen

Dianaes bergh en Jacht-gewest. Och of ik ftil in Febus Kooren,

Daar Dirces bron niet ruischt noch droomt. Verkwikt met zang en fpel te hooren

Myn tyd mocht flyten onbefchroomt.

Heeft men reeds van oude tyden eene byzondere fierlykheid geftelt op zodanige vaarfen, die of door hunnen fnellen, of door hunnen traagen loop de eigenfehap der dingen uitdrukten , zodat men zelfs het geluid, het geen men verhaalde, met klanken van woorden nabootfte, onze vondel heeft ook ten deezen opzichte niemand

be-

Sluiten