Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

238 OVER DEN DAMPKRING DER ZOU

II DEEL.

Over den Dampkring der Zon.

Dan ik fpoed my tot het befchotlwen van den Damp» kring der Zon: dat is, tot het oplosfen van deeze gewigtige vraag: of de Zon met eene vloeiftof omringd zy, van hare eigen zelfftandigheid onderfcheiden? —En hier omtrent zal ik vooreerst die verfchynzelen overwegen, welke in de daad niet alleen bewyzen dat de Zon een' Dampkring bezit, maar dien Dampkring zeiven, voor ons zigtbaar maken: ten anderen, over de byzondere omftandigheden van dien Dampkring nog meer bepaaldelyk fpreeken; en eindelyk met eenige algemeene aanmerkingen omtrent den invloed en de werking van dien Dampkring befluiten.

i L •

Dat de Zon een Dampkring heeft.

Gelyk de glans der Zon het flaauwer licht der Sterren verdooft, en te weeg brengt dat dezelve alléén by nacht, of ten tyde van eene geheele Zonsverduistering, en dan nog flaauwtjes, en in gering getal, te zien zyn, zo ook zal die glans ons beletten den dampkring der Zon by dag te kunnen gewaar worden , al beftond hy uit eene lichtende vloeiftof. — Wy zullen dan onzen toevlugt moeten nemen tot die verfchynzelen, welke zich by nacht, of ten tyde van Zons-verduistering, opdoen.

Wat de eerfte foort deezer verfchynzelen betreft, behoort men nog aantemerken, dat zo de Zon een dampkring

Sluiten