Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of het zodiakaal licht 2.^9

kring bezit, die dampkring met haar, als één éénig lichaam uitmaakt, haar altoos omgord, met haar zich beweegt, boven de kimmen ryst of daalt, en zich maar tot een' bepaalden afftand om het lichaam der

Zon uitfcrekt. Waaruit volgt, i. dat men dien

dampkring niet zal kunnen zien dan nadat de Zon, reeds eenigen tyd zal onder geweest zyn, en het reeds verflaauwd fcheemerlicht, een nog llaauwer licht zal toelaaten zichtbaar te worden, a. Ten anderen , dat die Dampkring, welke maar eene bepaalde ruimte om de Zon beflaat, meer en meer de kimmen zal naderen, naar maate de Zon dieper onder dezelve daalt, en gevolglyk allengskens ook minder gemaklyk te onderfcheiden zal zyn. Het is dan maar eenen korten tyd na Zonne-ondergang, of voor haaren opgang dat men haaren Dampkring zal kunnen gewaar worden: en dit zal nog zeer veel van plaatfelyke omftandigheden, van de gefteldheid van 't weder, en den meerderen of minderen glans van het fchemerlicht of van den dageraad, afhangen. Dit vooraf herinnerd hebbende,

laaten wy tot de waarnemingen zelfs keeren.

Het naarvorsfchen van dit gewigtig ftuk, is men aan jan douwe cassini (*), deri Stamvader van het Sterrekundig Geflacht der cassim's , waarvan men thans het vierde lid nog in Vrankryk met denzelfden

roem

(*) cassini gaf het eerfte bericht zyner ontdekking iii de Journal des Scavans van 10 Juny 1683: en daar na fchreef hy eene Verhandeling onder den tytel: Dccouverte de U Lutniére celeste qui paroit dans le Zodiaquc. Men vind dezelve in de Anciens Mémoires de FAcad. Tome VIII. of im de Memoires adoptés par F Académie avant fin renouvdkment, TomeV.

Sluiten