Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

356* OVER DEN INVLOED VAN DEN

3.) Moed en geduld hangen onder alle deugden misfchien op de zichtbaarfte wyze famen met de overtuiging van het beftaan van God. 1.) De gefchiedenis leert, dat dweepzieke lieden altyd dapper waren. Welke dwaalingen ook by hunnen Godsdienst, welke buitenfroorigheden ook by hunne dapperheid plaats hadden, hun voorbeeld evenwel bewyst het, dat de vrees voor gevaar, door eene levendige voorftelling van God verminderd wordt, a.) Met is natuurlyk, dat hy, die aan zekere fchikkingen en voorzorg omtrent zyn geluk gelooft, ftoutmopdiger handelt, dan hy, die, fchoon hy zyne zwakheid en de overmacht van andere dingen inziet, zich evenwel alleenlyk op zich zei ven moet verlaaten. Het kind wordt ftoutmoediger, in de nabyheid van zyn voedfter: de foldaat toont zyn' moed wanneer hy eenen veldheer heeft, op wien hy zich verlaat; fneuvelt deeze, dan is het ook met zyne dapr

perheid gedaan. Dat 'er duizende krachten in de

natuur zyn, oneindig fterker dan de zyne , en die in ftaat zyn, om hem alle oogenblikken te verpletteren, kan de mensch voor zich zei ven niet verbergen ; zoo min als zyn volftrekte onkunde, of deeze krachten ten zynen beste, of tot zynen ondergang zullen medewerken. Dus is zekere foort van beangstheid onvermydelyk, zoo dra de gewoone gevolgen van oorzaaken en werkingen gefloord worden. Alléén de gewoonte maakt ons onbefchroomd by den daaglykfchen loop der natuur. Onze wezenlyke onweetendheid maakt ons vreesachtig , zoo dra wy op de verftoorende krachten zelve apht geeven, die ons omringen. Dit gefchiedt in ziekten, in den oorlog, by geduchte natuurverfchynfelen en in allerlei toeftanden van nood of gevaar. In het leerftelfel der Godisten heb ik toch eenen grond, vol-.

gens

Sluiten