Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67a LOFREDE OP FREDRIK II.

de uiterlyke veiligheid door magt en verbonden te waaken; het is de onze. Indien ooit in eenen Staat dc onvolmaaktheden , even gelyk het kwaad in de waereld , niet aan de fclnüden van den fcheppenden geest, maar aan den weérdand der ftofTe te wyten waren; het is de onze. Het is alleen de bedillende onkunde , die verbaasd Haat, wanneer zy hier en daar eenig noodzaaklyk kwaad ontdekt, het geen zy zich verbeeldt met een hoogere kunde zo ligtelyk te kunnen wegneemen : doch de wysheid, dieper tot den famenhang doordringende , ziet de byzondere deelen door het geheel gerechtvaardigd; erkent in de onvolmaaktheden óf een bron , óf een voorwaarde van hooger volmaaktheid, en zwygt, waar het haar aan doorzicht ontbreekt, met diepen eerbied, dewyl zy in dc meer duistere cn verdoken deelen van het ontwerp , die zelfde wysheid vermoedt, welke haar uit de meer klaare en blootliggende tegendraalt.

Maar deezen Staat, waarvan de bedoeling zo juist, zo overeenkomende met zyn natuur, door zulke wyze middelen, op zulk een treflykc wyze wierd bereikt; wie heeft dien ontworpen? wie het denkbeeld dat daarvan by hem opkwam, met zulk een fcherpziend oog gevat, zo meesterlyk bewerkt, uitgebreid, voltooid? Eer nog de ondervinding fpreckt, laat ons de reden reeds gisfen, dat zulk een famendcl alleen liet werk van een enkele Genie kon weezen. En wie was deeze doute , gcestryke , alles bevattende Genie? Ily was het, die voor zyn groot ontwerp ook de middelen bedacht, om het ter uitvoer te brengen ; wiens beraamingen zyn ryk van een flechts middelmaatig aanzien, tot zulk eenen trap van magt en invloed deeden opfiygen, dat eenmaal hajf Europa

(het

Sluiten