Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DEN MEN SC li, j^p

van ons denkingsvermogen , waarby wy zelfs werkzaam zyn. liet komt gevolgelyk zeer veel, dikwils alleen op ons zeiven aan, dat wy de dingen in de waercld wel beoordeelen , en naar dezelven onze daaden «richten.

Daar intusfehen de reden dikwils te zwak is, om de ziulykheid of hartstochten te wederftaan - en de baatzuchtige driften dikwils tegen de natuurlyke orde aanwerken, zo moeten de wetten , door zeker bedreigd kwaad, aan de zinlykheid en het eigenbelang een tegenwicht , en ook wel , in zekere gevallen , aan liet niet genoeg erkende goede, door belooningen, een overwicht geeven. De wetten werken over 't algemeen op den wil door beweegredenen, en behandelen den mensch, als een wezen, dat zedclyke vryheid heeft. Zyn zy rechtmaatig en noodzakelyk of nuttig , dan verdragen zy zich volkomen met de burgerlyke vryheid, omdat de redelyke mensch reeds vrywillig dat geene betrachten moet, wat tot bewaaring der aigemeene orde in de menfehelyke maatfehappy en in 'f byzbilder in den burgerftaat, waartoe hy behoort, noodzakelyk of nuttig is.

Door de vryheid van onzen wil zyn wy zedelyke Wezens , dat is zodanigen , die in hunne daaden niet door een blinde drift geleid worden, of ten minden, zich niet laaten wegfleepen. Want zeden beteekent in 't algemeen ons vry gedrag ten opzichte van de grouddellingen, door welken het beduurd wordt. De zedelyke of moreele natuur van den mensch is het kortbegrip der bekwaamheden, waardoor hy, als een zedelyk wezen , met inzicht van de gevolgen zvn.T daaden, zich kan gedragen. Hiertoe behoort duA ook het vermogen, van zedelyke denkbeelden en cor«

wvsces. V. D. Nu Au.

Sluiten