Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Èn 't heilig bestier. VaK 't kwaad. 33

hare eigene burgeren zyn»? —— Zalzy der pestilentie ten prooi der verwoesting, hare eigen vuurbergen ten prooi der vlamme, ftrekken?

Hoe! moet eene zee , onftuimig en verbolgen, prachtig bemuurde Meden verflinden ? ■ moet de hongersnood , op onzen aardkloot ronddolend , de maat onzer ellenden overloopend volmeten ?

Hoe kan 't gefchiên ,en men ziet het nogthans, dat een zelfde geesfel den onfchuldigen, gelyk den fchul-

digen, treffe; dat een zelfde druk eensklaps hun

beiden doe krommen; dat een zelfde noodlot

beiden grafwaards fleepe?

En dan, zoo al eens het doel van deze verfchrikkelyke onheilen zy , om al te godloze llervelingen te ftraffen ; waarom treft die ftraf den deugdzamen waereldburger ? —— waarom het ongelukkig kind ter neêrgeveld ?

Maar alle deze kwalen worden noödzakelyk, ter beteugeling der misdadige buitenfporigheden. Zie hier zoo veele heilzame dammen, waardoor de ampzalige gevolgen van genen worden beperkt.

De goedertierenheid van het goedgunftig opperwezen bedient zich dan van overweldigende middelen; als dan wordt ten lesten zyne rechtvaardigheid, door Zyne wysheid, gewapend, ter vervulling der weldadigfte oogmerken.

Met dreigende vlammen omgeeven, daagt eindelyk wysBEt. II. Deel. C de

Sluiten