is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen over den Heidelbergschen catechismus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tzo ACHTSTE ZONDAG.

de Goden, gen. XXXV: 2. want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid — of de Tempel Gods met de Afgoden? 2 cor. VI: 14—16.

5. Dan, dit belette niet, dat gij tevens ook vooral een onderfcheiden gebruik moet maaken van ieder Perfoon in het bijZonder. Hebt gij Rechtvaerdiging van nooden, laat de lievde Gods des Vaders uwe toevlugt zijn, en bidt deezen uwen Richter om genade, job IX: 16. Zijt gij bekommerd over uwe elende, wendt u tot den Zoon, in welken wij de Verlosfing hebben, eph. I: 7. zucht gij onder het gruwelijke van uwe natuurlijke'on'reinigheid, keert u tot den //. Geest, fmeekende dat hij het werk der Heiligmaaking in u te weeg brenge.

6. Wacht u eindelijk, dat gij deeze drie Perfoonen door uwe woorden of daaden niet vertoornt; maar geevt een iegelijk de eer, die hem wegens zijne Godheid, in eene evengelijke maate, toekomt. Dat zij allen den zoon eer en, gelijk zij den Vader eer en — Joh. V: 22. bouwt zoo u zeiven op in het allerheilig/Ie Geloov, biddende den LI. Geest, beveelt en bewaart dus u zeiven in de lievde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jefus Christus ten eeuwigen leven,

JUD. VS. 20, 21.

U aangaande, Gunstgenooten des Heeren! die 'gij reeds geloovt in den Driëenigen God.

1. Dankt hem , dat hij onze Kerk tot hiertoe bij deeze Waarheid bewaard heeft; ja , hij zal dezelve, in fpijt van allen die het leed is, doen ftaan tot aan de voleinding der eeuwen. —. Roemt ook en verheerlijkt de aanbidlijke Driëenheid, wegens de wonderen van haar Wezen; want hoe veel meer reden hebt gij niet, dan de Engelen, dien de Huishouding der drie Perfoonen tot geen voordeel is, om uittegahnen, Heilig, Heilig , Heilig is de Heer der heirfchaaren! jes. VI: 3.

2. Eerbiedigt de Majesteit des Vaders ; opent de poorten van uwe ziele, opdat Gods eigen Zoon, als de Koning der eere , tot u inkome , psalm XXIV: 7—ao. En bedroeft deu H. Geest Gods niet — eph. IV: 30. Of weet gij niet

dat