Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

486 TIENDE ZONDAG.

zoo men maar recht begrijpt, waar eigenlijk de vrije wil des menfchen in beftaa.

Dezelve beftaat niet in Onafhanglijkheid, (Independentia) want die kan in een eindig Schepzel niet vallen.

Ook beftaat zij niet in eene Onverfchilligheid, (Indifferentia) om iets naar zijn welgevallen te konnen doen of laaten; want zoo eene Onverfchilligheid is de Dochter van de Onkunde , terwijl men niet weet wat te kiezen; en gaat deswegens gepaard met eene twijlfelachtige bekommering , de eigene Vijandinne der Vrijheid. Hoe meer toch iemand tot eene zaak overhelt, zoo veel te minder is hij onverfchilllg, maar zoo veel te meer is hij vrij. Stelt, bij voorbeeld, eenen man op een twee - of driefprong, zonder dat hij weet welken van de twee of drie wegen hem zullen konnen leiden tot de plaats zijner begeerte, zulk een mensch is dan geheel onverfchillig; en het is hem gantsch om het even, welke van deeze wegen hij inflaa. Maar, wel verre van vrij te zijn , wandelt hij in tegendeel met eene geduurige vreeze, dat hij mogelijk den verkeerden weg zal verkozen hebben; en die zorg blijvt hem zoo lang bij, tot dat hij door het een of ander teken vindt, dat hij op den rechten weg is. Doch dan blijvt hij niet langer onverfchillig want hij bepaalt zich thans alleen tot den rechten weg. Maar zijne Vrijheid wordt nu eerst recht gebooren, terwijl hij voorts dien weg, met de volkomenfte blijdfehap, gewilligheid cn vergenoeging betreeden zal.

Waarin beftaat dan de waare Vrijheid? Dezelve is kortliik hierin geleegen: i. dat de mensch niet kan merken, dat hij in zijn doen, door eenige uit- of inwendige kracht daartoe genoodzaakt wordt. 2. Dat hij ook niets verkiest of bemint, dan hetgeen hij met zijn verhand als waarachtig of goed erkent ; en zoo mede, aan den anderen kant, niets verwerpt of haat, dan hetgeen zijn verftand als kwaad of valsch begrepen heeft. (Dit is zoo zeker, dat zelvs ook in eene kwaade Verkiezing , nochtans akoos het oordeel, hoe verkeerd ook,

voor-!

Sluiten