Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE ZONDAG.

den Mensch verlaat, hem onthoudende of ook wel onttrekkende , om reden van voorgaand misbruik, den krachtigen invloed van zijne bedwingende genade, die hij aan niemand verfchuldigd is , en die de mensch nochtans altoos van nooden heeft, zal hij niet altoos vervoerd worden tot de zonde. Hierom ftaat ervan rehabeam: de Koning hoorde niet, want deeze omwending was van den Heere, i kon. XII: 15. zie ook jer. XVI: 13. verg. 2ciiron. XV: 2. Trouwens, gelijk de-Zon, wanneer zij.haare Itraalen intrekt, oorzaak geevt tot koude; niet juist, dat zij de koude door zichzelven teweeg* brengt, maar enkel omdat zij haare warmte niet mededeelt, zoo kan het niet anders wezen, wanneer God zijn licht in onze zielen niet doet ontbranden, of het geweeten wordt verdoovd, het verftand verduifterd, de Mensch moet ftruïkelen," alIerleiwanordeneemt.de overhand, en de wil, geduurig aanftootende, zal afwijken van het rechte pad. Nochtans, om wederom te toouen, dat God in dit alles vrij blijvt van het kwaade, zoo laat ons neemen een teder kind, dat-noch niet ftaan kan, maar van eene andere hand moet onderfteund worden; zonder deeze onderfteuning moet het noodzaaklijk vallen. Evenwel, als de hand zich terug trekt, ftoot eigenlijk die hand het kind niet omver, maar het valt bij gebrek van eigene krachten. Dus beftaat het ook met den Mensch; als God zijne hand maar loslaat, hij valt daarhenen, zonder dat hij echter de oorzaak van zijnen val aan iets anders , dan aan zijn eigen zwakheid en magteloosheid kan toefchrijven. En dit alles heeft reeds plaats bij den aanvang der zonde.

3. Maar hoe verkeert nu Gods voorzienigheid omtrent den Voortgang? Hij zet de zonde paal en perk, opdat zij 1. vooreerst niet-te vroeg beginne; 2. ten tweeden, niet al te hoog gaa, noch verder doorbreke, tot meerder benadeeling van anderen; 3. ten derden, ook niet langer daure, als Gods wil bepaald heeft. Het eerfte bleek aan c 11 r i s t u s , wien deJooden niet konden vangen, voor dat zijn uure gekomen was , luc. XXII: 53. — Dus heeft God ook abimelech niet

toe-

Sluiten