Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENTIENDE ZONDAG. i$t

III: 15. IV: 10. X: 40- 4«' XIII: 3*' ROM-X: 6~ïo1 cor. XX: 14, 15. En dit was te'dier tijd nog meer van nooden, omdat reeds de navolgers van cerinthus de Opftanding van christus beftonden te locbenen (3). Een waarheid ondertusfchen van het hoogde gewigt, en waarin wij de doorluchtigfte blijken niet alleen van Gods Almagt ,• maar ook de gronden van eene wezenlijke Vertroofting, zullen aantreffen.

Wij moeten nu in de behandeling van deezen Artijkel zoo te werkgaan, dat wij L Verklaaren de Leer van christus Verrijzenis op zichzelve.

II. En daarna zien, door het betoogen van haare Waarheid, Noodzaaklijkheid en Nuttigheid, (van welk laatfte de Catechist hier alleen maar melding maakt) hoe het Geloov van een Christen daaromtrent werkzaam zij. Hebt gij dan de laatfte reize gehoord, dat christus zich tot in den dood heeft moeten vernederen, wij hooren thans j

hoe hij wederom ten derden dage van den

dooden is opgestaan. Immers dat onderftelt de Onderwijzer, wanneer hij vraagt: wat nuttet ons de opstanding van christus?

Allereerst komt hier in aanmerking het Onderwerp , wien deeze Opftanding wordt toegekend, welke is christus, dezelvde die geleden heeft, die gekruist, geftorven en begraven was.

Het was doch een verkeerde fchifting van de laatere Jooden, wanneer zij zich zagen in het naauw gebragt door de Christenen , dat zij in plaats van eenen, twee Mesfiasfen verfierd hebben (4), den eenen uit joseph, door ephraim, aan wien zij de fmarten, den anderen een Zoon van david, uit

ju-

(3) ehpham. adv. Cerintbianos.

(O Vid' Sibli'tb. Brem. p. 800, 817— 83*.

K 4

Sluiten