Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3g4 VIJVENTWINTIGSTE ZONDAG.

paulus groot onderfcheid tusfchen willen en doen, als hij fchrijvt, rom. VII: 15, 16, 18, 19, 20, 21. het willen is wel bij mij, maar het goed te doen dat vind ik niet: want het goede, dat ik wil, doe ik niet; maar het kwaade, dat ik niet wil, dat doe ik. — En, is het zoo geleegen met deu geenen die gelooven, hoe veel grooter is dan de onmagt bij denzulken, In welken het geloov nog eerst komen moet ? zullen deeze doove hooren, deeze blinde zien, deeze ftomme Gods eeuwigen lov vertellen, deeze kreupele fpringen als een hert, ja deeze doodsbeenderen leeven, hiertoe is meer dan menfchen kracht van nooden. Dit is het werk Gods, dat gij geloovt in hem, dien hij gezonden heeft, joh. VI: 29. zie ook eph. II: 8. ïhil. I: 29.

Vraagt gij nu nader, wie de bijzondere oorzaak zij , van Welke het geloov tot ons komt, At Leerling zal andwoorden: van den heiligen geest. Niet, dat God de Vader en de Zoon van dat werk zijn uitgeflooten; want het geloov behoort tot de werken Gods naar buiten, die den drie Perfoonen gemeen zijn. En het is van daar, dat dit werk zoo wel aan den Vader, eph. VI: 23. en aan den Zoon, marc. IX: 24. luc. XVII: 5. en hebr XII: s. als aan den Heiligen Geest Wordt toegekend. Maar, omdat het geloov eigenlijk het middel is, waardoor de Uitverkoorenen met christus vereenigd, en zijne verdienften hun worden toegepast, zoo is het bij uitftek de heilige geest, die de toepasfmg der Zaligheid in den eeuwigen Vrederaad voor zijne rekening nam; welke daarom meest, naar de orde der Godlijke Huishouding, als de Werkmeefler van het geloov befchreeven wordt, icor. XII: 8, 9. 2 cor. IV: 13. gal. V: 22. 1. Hij werkt de kennis, die in het geloov moet gevonden worden, eph. I: 17, 18. 2. Hij werkt de toefemming des geloovs, waardoor Wij het getuigenis van christus aanneemen, joh. III: 34. Verg. 1 joh. V: 9—-ii.

1 Doch de Leerling verklaart zich ook nog nader, met te zeggen , dat de Heilige Geest dit Geloov in onze harten werkt.

De

Sluiten