Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJVENTWINTIGSTE ZONDAG. 515

De zitplaats, van het geloov is het hart van den mensch. Het is niet genoeg de waarheden alleen te bevatten in het geheugen , of daaromtrent te verkeeren met eene bloote befpiegeling. Maar het hart, of de ziel, is daarvan het eigenlijkfte onderwerp. Want 1. de kennis, die de' eerfte daad van het geloov is , behoort tot het verftand. 2. Het oordeel ftemt de gekende waarheden toe. 3. En de wil is bereid om zich aan de waarheid te onderwerpen, verg. hand. VIII: 37. rom. X:$>, 10. eph. III: 16, i7.

Wanneer dan nu de Catechist verklaart, dat de Heilige Geest het geloove werkt in onze harten, zoo geevt hij duidlijk te verftaan , dat de Heilige Geest met zijne werkingen doordringt tot in de zielen der menfchen, en dat hij er Meefter over is, om, indien het hem behaagt, het geloove in ons binnenfte voorttebrengen.

Dit wordt wederom gelochend door de Peiagiaanen en Pelagiaansgezinden, die willen, dat de mensch de Godlijke Inwerking zoo ver wederftaan kan, dat, al is het Gods voorneemen den mensch te behouden, deeze, door zijne weêrbarftigheid, dat Godlijk oogmerk kan veriedelen. Daartoe moet men al het werk van God flechts begrijpen als eene bloote zedelijke aanrading, uitlokking en nodiging, die niet ongemakkelijk wederftaan wordt. En men heeft er in het algemeen geen ander oogmerk mede, dan om de grootfte oorzaak der behoudenis te zoeken bij den mensch, en om zoo veel te ligter eenen afval der Heiligen te konnen ftellen. Doch, om den ftaat van het verfchil wel te vatten, dient men te weeten, dat, wanneer wij Gods genade onweêrftaanbaar noemen, dit niet zegt, dat een mensch , die het Geloov ontvangt, deeze genade in het geheel niet tegenftaat. In tegendeel, hij weêrftaatze altoos van natuure, en hij kan noch wil niet anders, dan zich daartegen aankanten , omdat hij een wederfpannig kind der ongehoorzaamheid is. Maar wij willen er alleenlijk dit mede zeggen, dat, wanneer God verkiest eenen mensch te bekeeren, de mensch dat werk der bekeering, met al zijn tegenftaud, niet kan beletLl 4 ten:

Sluiten