Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEERTIGSTE ZONDAG. 51?

den! Menfchen, die hunnen Naaften met de allerbitterfte woorden in de ziele booren, en die, op het minfte ongelijk, dat zij zich meenen te zijn aangedaan, aanftonds ontvlammen in zulk eene hevtige gramfchap, dat zij zich op ftaanden voet, als of zij hunne eigene rechters waren, met ftaan of ftooten trachten te wreeken. Men behoevt hier geene voorbeelden te trekken uit de alvernielende oorlogen, waarin men redelijke wezens, op eene ontmenschte wijze, tegen eikanderen ziet woeden. Maar, wierdt men niet wederhouden door de ftraf, die de geftrengheid der Wetten hiertegen gefteld heeft, naauwlijks zoude het woefte Lybie, het Vaderland der Roovdieren, eenige voorbeelden van wreedaardigheid opleveren, die niet onder het geflacht der menfchen geëvenaard, ja overtroffen zouden worden. Men fchrikt doorgaans voor een wild verfcheurend beest, en men heeft er eenen uiterlijken afkeer van; doch het roovzuchtigfte dier betoont nog fomtijds eenige blijken van edelmoedigheid, het verfchoont zijn eigen foort, en het valt meest op zulke fchepzelen, die het tot zijn nooddruft volftrekt niet ontbeeren kan; terwijl het anderen niet dan in den dringendften nood zal aandoen. Maar, tot welk eenen trap van hoogte ziet men de woede van fommige doldrivtige menfchen niet fteigeren, die huns gelijken niet ontzien, verg. rom. III: 13—18.

3. Zien wij op het inwendige, of op den wortel des doodslags, ach! hoe veelen, die den nijd, haat, toorn en wraakgierigheid , in hunne harten voeden, en met hunne daaden openbaar maaken, dat zij aan de Lievde, het geduld, den vrede, de zachtmoedigheid, de bermhartigheid, en de rechte vriendlijkheid nog zeer weinig kennis hebben ! Men benijdt zijnen meerderen, men veracht zijnen minderen , men beledigt zijns gelijken. En de Lievde is dermaaten verbasterd, dat de een van den anderen naauwlijks niet meer veilig is, en men zich van elkanders trouwe gantsch weinig kan verzekeren. Waarlijk, wij beleeven thans die tijden,,

Sluiten