Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VRIENDSCHAP. 3

De mensch, wiens boezem afgeftrecden , Aan 't kloppend hart eens lialsvriends vlucht, Vindt, als die halsvriefld met hem zucht,

In folteringen zaligheden. Eén woord, en alles is verligt; Het ongeluk verliest zijn fchicht;

Hij voelt de boei der fmart niet drukken; De vriend, die eerst zijn lot beklaagt,

IJlt nu om hem een fmart te ontrukken, Die aan hun beider boezem knaagt.

Heil dien! die, als de ftonnen loeijen,

In d'arm eens halsvriends rusten mag, .

Eens vriends, die deelt in zijn geklag, En fchreit, wanneer zijn traanen vloeijen»

Zoek llerfling ! zopk u dan een' vrind:

Die u flechts om uzelv' bemint; Die, niet alleen bij hcldre dagen,

In u zijn' waarden zielvriend ziet, Maar ook in 't woên der onweersvlaagen,

Zijn hart, zijn hand en raad u biedt.

3

Sluiten