Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s^ D E D O O d.

Zij fchetst mij, door 't gevoel ontftooken , Den vorst, in 's afgronds duistren nacht, Door 't monster, zonde, voortgebragt,

Die, uit zijn' kerker losgebroken, Zich huilend duor de fchepping fpreidt,

Om al wat de almagt wilde zaaijen, Met d'eigen fikkel af te maaijen, Tot aan den rand der eeuwigheid.

En gij, die vaak mijn fchrecden Kierde, 6 Nacht! als ik, in eenzaamheid,

Befpieglendc uwe majesteit, Mijn' fombren geest den teugel vierde ;

Die, als de moede fchepping flicp, In 't digt befchaduwd bosch gezeten, Zichzelven uuren kon vergeeten,

En dood en graf en kerkhof fchiep.

Sluiten