Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. 31

Miflchien zal hem dit kleed zelf tot een fpoorflag (trekken,

Om bij mijn' Potiphar eene ijverzucht te wekken...

Ach, Jempfar! Jempfar! tot wat diepte zinkt gij néér.

Een vrijgelaatene verklaagt u bij zijn' Heer,

Durft u van dartle min bij uw' Gemaal betichten,

Op 't puin van uw verderf een zuil van vriendfchap ftichten.

En... maar mijn kragtbezwijkt. Danzagt! voorkomen wij;

De laagen ons gelegd... zou ik door veinzerij...

ó Jaa! ik zal het oog van Potiphar verblinden.

Beef, Jofeph! 't vuur der wraak zal uw geluk verflinden.

Dees mantel zij 't bewijs voor uw onkuifche min.

Beft wekt mijn bang gefchreeuw het ruftend huisgezin.

Ik ruk mijn tooizel los, verwilder mijne vlechten... ■■ Op maagden! maagden / op \ helpt mij. Ach! helpt mij, knechZo roept zij met een' gil, die 't huisgezin ontzet, Men komt en vindt haar half in onmagt op het bed. Hij, zegt ze, is reeds gevlucht; die Jofeph, zo koelzinnig, Die nimmer eenig maagd, hoe vriendlijk of aanminnig Begroette met een' lonk, heeft mij, Goón! dekt die fchand. Tot dartle min verzogt: Déez mantel in mijn hand...

Ver-

Sluiten