is toegevoegd aan uw favorieten.

Joseph, in zes zangen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74 J O S E P H.

En dat het waar geluk niet aan de Hofgewclven Of Feeftzaal is verknocht, maarvoortfpruit uitzichzelven. Al blinkt, dus fpreekt hij vaak,de glans van ftaf en kroon In 't oog des ftervelings, bekoorelijk en fchoon, Hoe knellend prangt de kroon de Vorftelijke hairen! Wat wenfcht de brooze menfch een' krans van lauwcrblaaren Om 't zegepraalend hoofd, welk een verdriet en lalt, En hoeveel bange zorg is aan den krijgsroem yaft. Een vroege grijsheid groeit in fchaduw van den lommer Der zegelauwren: jaa het kouter van den kommer Ploegt diepe rimpels op het voorhoofd van de jeugd, Beroemd door krijgsbeleid en fiere heldendeugd. Wat grijpt men na het ooft van welluft en vermaaken, Die bij den eerften beet jaa na iets Godlijks fmaaken, Maar welker kern door 't hart een doodJijk gif verfpreidt, 't Geen zelfs den menfch verlaagt tot botte beeftlijkheid. De menfch moet door zichzelf zich boven 't lot verheffen. Laat vrij de wreedfte ramp het hoofd des fterflings treffen, Zijn deugd ftijgt boven 't lot, daar 't aan zijn voeten grimt. Zo ziet een Reiziger, die 't hoog gebergt beklimt

Door