Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DE GEN IK. 21

In de daad indien ik niet zo zeer overtuigd was, dat het bijna onrr.OJglijk is l

een*

die zijne uuren van ukfpanninge aan de tekenkunst befteedclè. De eerfte leeft van zijne kunst , en hij heeft niets te bezorgen dan 'er zich flechts in te volmaken; naar raaate hij dit doet, naar maate rijst teffens zijn fortuin. De andere ontrooft al de uuren , die hij aan zijne liefhebberij toewijdt, aan zijn fortuin, en lo hij zich met niets anders dan met dezelve bemoeide , zou hij eerlang van honger vergaan. Men werpe hier niet tegen dat men de vconbrengfelen der Dichteren moet beoordelen en niet hunne omflandigheden — want dan bewees men te veel. Zo lang 'er dan met de Poé'zij geen levensonderhoud in Nederland te winnen is, en fchauen bij de Nabuuren , bewees men door dit gezegde, dat de Nederlanders nooit verfen moesten maken. Men zou dan, in plaats van onze dichtkunst te bevorderen, den moed in onze Dichters uitblusfchen , en zeer veel Landgenooten , die zich zeer te vreden honden met inlandfche Dichtfhikken te lezen, en, dat meer is, die ze zelfs boven fchooncr produkten van Buitenlanders verkiezen , juist om dat ze op hunnen eigen bodem gegroeid zijn , van een vermaak beroven , dat hun dierbaar is.' Mooglijk is dit laatfte een zwak in onze Landgenooten — maar erken dan ten minften dat het een achtingswaardig zwak zij — juist het eigen, dat yiisfes zijn rotfig Ithaca boven het prachtig Mycenen deed verkicz-,8.

Befchouw dat guur gewest, met eenwig ijs bedekr, Daar nouic deLente een roos. de herfst een wijndruif teelde, B 3 Daar

Sluiten