Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gO aanmerkingen

Een Lenteroos gelijk, die, nieuwlings voortgefproten, De fchoonheid van haar' blos houd in zich zelf befloten,

En 't minziek windenheir op teedre bladen fluit, Doch, van Auroor gekuscht, op 't geurigst zich ontfluit.

En van magdalena moons, fchoon hier zichtbaar nagevolgd, door nomz

Zij tracht, verr' van door kunst het oog tot zich te trekken,

Uit zedigheid, haar fchoon voor 's vleijers oog te dekken;

Een jonge roos gelijk, die, pralende op haar freel, De tedr? bladen fluit voor Zephirs fterkst geftreel; Doch, zich oritfluitende op 't gekusch der Zonneftraalen,

Met vreugd dien zagten gloed voelt in haar' boezem dalen.

Doch ook hier genoeg van voor elk, die van deeze ibort van aanmerkingen gebruik weet te maaken. Ik zal ze met de hier ter plaatle zo nuttige les voor den jongen Dichter, van hugo blair (18) befluiten:

Ie-

(17) Willem de Eerfte, ï^de Zang.

(18) Kritifch. Abhandl. uber die Gedicht, ossians p. 100. Deeze les moet echter met oordeel gevolgd worden; wanneer wij ons tooneel in vreemde Landen plaatfen, moeten wij ook onze Beeldtenisfeu van de voorwerpen, die in dat Land gevonden

Sluiten