Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BRIEF. 23

niet in den waan vallen, 1. Dat Arminius van Calvinus alleen verfchilde, omtrent dc leer der Votrbefchïkking ? Het tegendeel weet gij uit de gefchiedenis , en hebben wij zoo even 'gehoord van onzen Raadsheer.

2. Dat hem zijn wangevoelen vrijftond , om dat anderen , vóór hem, mede van Calvinus verfchild hadden ? Dan wie waren dcezen ? Was hun verfchil van dat zelfde gewigt, als dat van Arminius ? Lagen zij , gelijk hij , ook onder verdenking ? Hadden zij , gelijk hij , verklaard , niets tegen dc vastgeftelde Leer te hebben , en plegtig zig verbonden, om daar bij te zullen blijven ?

3. Kan de meening van Arminius hem van kvvaade trouw vrijpleiten — gelijk de Heer Marti net fchijnt te willen ■— daar hij tegen pligt en beloften inwerkte ? 4. Offchoon de Leer der Vooriefchikking, naar het voorgeeven van den Heer- Marti net , in vroegere eeuwen verfchillend begreepen was, was ze daarom egtcr niet beflischt, en aan. genoomen in de Gereformeerde Kerk, en door Arminius onderteekend, met belofte, van daar bij te zullen blijven ? 5. Dat Luther eerst gefield hebbe , dat de Godlijke Beüpiten volflrekt gemaakt waren ; en dat hij naderhand daar in zou hebben gewankeld, gelijk de Heer Marti net wil, is tegen de waar-

B 4 heidj

Sluiten