Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 9 )

bloemen, die zich bevallig ter zijde boogen, om door haar betreeden te worden.

De Leeuwen des wouds, en de hijgende Tijgers, en de gevlekte Panthers krpopen eerbiedig aan heure voeten , en lekten het heilige ftof, waar op zij ging.

Daar trekt zij heen, de Godin der Liefde, en, rondom haar, de Gratiën, de vermaaken, de dartele Minnekoozerijen, die zoo gaarne, in de kuiltjes, op de wangen der fchalkfche meisjes, woonen, en de bevallige fcherts.

Amor fluit den luisterrijken (loet, en werpt zeebloemen onder het beminnelijk gevolg van Venus, en fchiet 'er met zijne ligtfte pijlen onder. Maar de Nymphen zien fpotagtig agter zich om, en roepen: Heeft Amor geen grooter pijl in zijnen koker ?

Waar zal ik het eerst, waar het laatst mijne oogen heenwenden, om de blijde voorwerpen te betrachten, die, van alle kanten, mijne Enthuflaftiefche ziel vervullen ? f

Agter mij, ruischt het verheven fnaarenfpel der zalige Bewooners van dit Eiland, en hun harmoniesch geA 5 zang,

Sluiten