Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<— ^9 —>

heeft ongetwyfeld ten oogmerk, om ons onze eigene waarde, de verhevenheid der menfchelyke natuur, die als 't ware den overgang maakt van het zinlyke tot het geestelyke, recht te doen gevoelen. Wy hebben voorheen den mensch als een dierlyk, zinlyk, verftandig en redelyk wezen met oplettenheid gjde geflaagen , en zullen dus hier niet herhaalen, het geene wy toen gezegd hebben, (ZO maar zoveel kunnen wy toch niet nalaaten hierby te voegen, dat de verhevene poëetifche uitdrukking: ,,God fchiep den mensch naar zyn beeld," voor die menfchen, welke in den vroegen ocbtendftond der wereld leefden, de klaarde en de gefchikfte was, om hun te leeren, dat zy zowel eene verhevener en redelyke natuur, als enkel dierlyk leven en zinnelyke gewaarwording bezaten, en dat gelyk God eeuwig en oneindig volmaakt is, de mensch alzo beflemd is voor de onftervelykheid, en voor eene altoostoeneemende vordering en volmaaking. Hoe toch zoude men, het gene Jefus, zo veele eeuwen naderhand, leerde ,, Weest gy volmaakt, gelyk uw vader die in de hemelen is, volmaakt is," in dien vroegen leeftyd beter hebben kunnen aandringen, dan door deze eenvoudige en zeer zinnelyke menfchen te leeren: „ Menfchen ! gy zyt naar Gods beeld, naar zyne gelykenis gefchapen!" <

Gaan wy verder de omftaruh'pheden naar, in welken de mensch zig bevond in de eerfte oogenblikken, na zyne fchepping: befchouwen wy den toeftand, waarïn hy geplaast was, volgends het bericht van Mofes: dan vinden wy dezen toeftand, deze omftandigheden juist zodanig, als een gezonde redeneerkunde ons aanleiding geeft om te vermoeden dat dezelve moet geweest zyn, indien de nog onërvaaren mensch op de aarde zoude kunnen leeven en zich vermenigvuldigen. Hy moest niet te vreezen hebben

van

(V) Zie Ilde Deel, No. XXXI. en vervolg rot No, XXXV. ingefl. D. 3

Sluiten