Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE BOEK. 19

„Mijn Vader, treurende om zijn dierbaare Echtgenoot, „ Zag door zijn eenig krooft zijn zilte traanen droogen.

„Dan, ach! eer ik zijn' naam nog uit kon ftaamlen , floot „Op 't onverwachtft de Dood, te wreed, zijn liefdrijke oogen,

„Maar'kzagmijdoorGodsgunft, die voor het weesje waakt, ,,In cenen bloedverwant een' dierbren Vader fchenken.

„ó Mordechai! voor wien mijn dankbre boezem blaakt: ,,'k Zal zelfs in de eeuwigheid uw liefde en trouw gedenken.

„Mijn blijfchap was uw vreugd,mijn fmartwas uw verdriet. „Hoe ijvrig zocht gij mij voor onheil te bevrijden.

,,'k Verbeeld mij nog uw'angft, toen'k fchreijendc u verliet. „Wat moeft mijn teedre ziel fins om uw afzijn lijden?

„Uw liefde heeft hier vaak mijn knellend leed verzagt. „ Nog word uw zorg niet moê voor mijn belang te waaken.

,,'k Verborg, op uwen raad, ons Godgewijd geflacht, „Dat,diep verneêrd,de vrucht der ondeugd nog moet fmaaken.

„Reeds naakt het oogenblik, dat ik den Koning zie.

,, 'k Hoor Hegaï, verzeld door al mijn Kamer - Maagden.

„ó God! ontvang dit hart, dat ik u needrig biê!

( den. "

„ Dat hart, waaraan noch Nijd, noch ijdle Praalzucht knaagThans treedt de blijde ftoet der zeven Juffren in,

Om lieve Adaffa na den Koning te geleiden; Daar ongedwonge Vreugd en zuivre Huwlijksmin

De jonge fchoone reeds met ongeduld verbeiden. •

B 2 Wan-

Sluiten