Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTVANGEN VAN EERPENNINGEN. : 43

ö Nooitverwclkbre zegekroon,

Die zovele oogen op uw' luister houdt geflagen!

Mijn zang, mijn kunstcloozc toon,

Dorst zich om u in 't ftrijdperk wagen!

Hij, hij is 't, die u weg mogt dragen,

En beurt een onverdienbaar loon!

En weinig is 't, dit loon te ontfangen,

Uw gunst bepaalt zich niet dan met de onfterflijkhcid:

Van spaan! neen Dichtkunst zelv', heeft me in zijn grootfchë

(zangenj

(Die zangen fterven nooit) de onfterflijkhcid bereid,

4>

ó Goddelijke Poëzij, Wat lot, wat heuchlijk lot! — Aan wat begochelingen, Aan welk een worstelend getij* Van drift bij drift, die zich verdringen, En 't kloppend hart dm ftrijd befpringen,

Aan welke fehokken geeft ge mij Ten prooi! ai, matig uw vermogen! Die wellust is zo teêr, voor die zoo teer gevoelt.

Mijn boezem hijgt: hij beeft: 6 onberaden pogen!

Ach! waarom op een gunst, die mij verplet, gedoeld?

K a

Sluiten