Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Pelgrims; een zedelyke vertelling. 241

ren roepende, beval hy denzelven het kind by de geiten te brengen, ten einde de herderin eene daarvan voor hetzelve melkte, totdat hy andere maatregels tot deszelfs behoud you genomen hebben.

De herderin had naauwlyks begonnen het geschrei des zoogelings met een weinig melks op zyne lippen te laaten druipen tot bedaaren te brengen , wanneer verscheiden mannen te paard voor de veldwooning verscheenen Zy vraagden of men 'er geen' ridder had vernomen, die een jonggeboren kind met zich voerde, en eene jonge dame die pas van hetzelve verlost was? Ten antwoord bekomen hebbende dat men 'er niets van de zaak wist vervolgde zy, met ongemeenen spoed, hunnen weg. Allen verheugden zich dat zy vertrokken waren. De pelgrims bragten aldaar den naeht gemakkelyker door dan zy verwacht hadden, en hun huiswaard onthaalde hen op de best mogelyke wyze. Doch eer zy zich ter rust begaven, oordeelden zy het noodzaaklyk de beminnelyke vluchtelinge te bezoeken. Zy vonden haar vry wat bedaarder, geevende zy te kennen dat haar toestand veel minder ongelukkig voor haar zou zyn, wanneer zy verder van de vrees voor haaren vader bevryd was, die, nevens haaren broeder en eenige hunner vrienden, de persoonen waren, door welken zy gezocht werd. Men oordeelde noodig eene andere omzichtigheid omtrent het kind in 't werk te stellen eer dat de dag weder aanbrak; en deeze bestond, in hetzelve te brengen ten huize van eene der nabestaanden des ouden mans, die omtrent een uur van deeze plaats woonde. In gevolge van dit besluit werd het derwaart gezonden, met de gouden keten; en, in geval van navraag, moest de voedher te kennen geeven, dat het aan zekeren inwooner van eenig nabuurig vlek toebehoorde. Hier op werd beslooten dat ieder zich naar zyne rustplaats zou begeeven.

De wederkomst van den dag was aan allen aangenaam, behalven aan de jonge dame, die den glans der zonne met durfde aanschouwen. Na dat echter de oude schaapherder eenige persoonen op de verscheiden toegangen naar de VI. AFd. XI. Deel.

Sluiten