Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KI

VIERDE HOOFDSTVK.

D e foort van Dichtkunde, waarvan ik tot nog toe gefprokeri heb , is naar miin Öizien de oudfte; als mogeliik bii de volken te geliik met hunne taal gebooren en opgekweekt zonder veel kunst, meest door het vermaak der ooren en des menfchen natuurliike neiging tot kadans. Men behoeft zich dus geene moeite te geeven, om derzelver overlevering door de eene natte tot de andere te bewiizen.

Het oudfte dicht uit de verloopene eeuwen, dat tot ons gekomen is , meen ik te ziin het boek van ioe ; alsviiftien eeuwen voor Christus tellende. Dat nu in de oude Hcbreeuwfche liederen de greepen niet gewogen of gemeeten , maar ge:eld werden; en de voornaamfte konst hunner dichtkunde alleen in het reegelen des toons beftond; daar in ftemmen met elkander in uit het midden der vierde eeuw ivliaan , de geestigfte en geleerdfte der Keizeren, bii cyrillvs B. VII bl. aai; het boek Cosri, voor duizend iaairen gefchreeven, deel a §. 69—73 , aan welk boek Cosri zich in hun oordeel over dit onderwerp fchiinen gehouden te hebben de Ioodfche letterkundigen, als Rabbi'mosche ben ciiabib bii Gomaar in ziine opdragt van Davids Lier bl. 10, en anderen bii BVXTOkF in ziine voorrede op Cosri van B 3 bl. x

Sluiten