Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

TWEEDE AANMERKING.

Ten dienfte der zeevaarenden, is het noodig, dat het aftekenen van baaien , en havens; 't inkomen van rivieren, inhammen , uithoeken , enz. , met een hoogen horizont gefchiede; dat is , dat de tekenaar op zee de mars tot zijne (randplaats verkieze , en niet het dek van 't fchip , alzo men van de mars niet alleen eene grootere uitgeftr. ktheidoverzien,en dus meer voorwerpen ontdekken kan, maar ook om dat men zien kan, of dezelven naast, of achter elkander liggen; moetende , gelijk reeds gezegd is, altijd , bij zodanige aftekening , de horizontshoogte en den afftand aangetekend worden , ten einde anderen , op die hoogte komende , en volgends de hun voorgelegde afbeeldingen uitziendc,mits hunne ftandplaats overeenkome met die op welke de aftekening gedaan is , konnen ontdekken , of het voorwerp , dat in de tekening voorgefteld wordt , bij voorbeeld, een baai, inham, enz,, achter elkander uitfteekende klippen, enz., overeenkomftig zij, en alzo kan geweeten worden waar men zig bevindt.

Zo is in ons voorgefteld tafrecl , PI. IV. , door den hoogen horizont , alles kenbaar en duidelijk te enderfcheiden , zodanig , dat men tusfchen het ei" S 3

Sluiten