Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PR IJ SFEERZEN. ij

Moe weifflend is de kans: des vijands oorlogsmagt

Is die van mij gelijk, ja, overtreftze in kragt'.

Mijne eer, mijn pligt gebiedt dat ik mij bloot moet ftellen:

Een welgetroffen fchoot kan Maurits nedervellen;

Vervul dan voor het Land, mijn Henrik , mijne plaets;

Toon dan 't verftaelden hart eens moedigen foldaets;

Maer nu, nu kunt gij nog uw dierbaer leven fparen;

Gij hebt wel moeds genoeg, maer zijt te jong van jaren ;

Gij zijt te zwak, als u ervaerner weörftand biedt;

Uw hart is wel geplaetst; maer gij zijt Maurits niet,

Gewoon, in 't bloedig veld, door fcherpgewette klingen,

Door vuur en gonzend lood, naer lauwerloof te dingen. —

Ach! welk een fmart voor mij ■— wat ramp voor't Vaderland—r

Zoo u mijn eigen oog zag ploffen in het zand!

Alleen het denkbeeld kan het broederhart bedroeven. —

Begeef u uit den drang' der trappelende hoeven;

Verlaet de legerplaets, ó jonge heldenziel!

Een jagt geleide u op een veilige oorlogskiel:

Het groeijende gevaer gebiedt datwe ijlings fcheiden.

Ga, wil mij, inOoftende, in zegeprael' veibeiden;

Of zoo het noodlot eischt, dat ik verwonnen word',

Denk dan dat ik mijn bloed voor Neêrland heb geftort;

Die dood ftreelt meêr de ziel dan 't allerfchittrendst leven.

't Is edel in den nood' voor 's volks behoud te fneven?

d*

Sluiten