Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENENTWINTIGSTE ZANG. 195

Die fchepen zijn onnut tot ftrijden:

Wat baten fchatten zonder kracht? Geen rijkdom kan een Vloot bevrijden;

Maar ftaal bij moed en kunst geeft macht. De wakkerende wind in 't Westen Geeft hun getal der zee ten besten;

Alleen twee zeilen kunnen vlien: Die, tot Antwerpens wal gevaren, Veikondigen de droeve maren

Der ramp, met eigen-oog gezien.

De koelte, telkens aan 't verheffen,

Verzwaart de zee van overhand; De golf begint met ernst te treffen,

En kent welhaast geen' tegenftand. Vergeefsch is nog de vloed, in 't wasfen, Vermeerderd door de zware plasfen,

Die 't bulderend Noordwesten brengt: Vergeefsch 't Kanaal gehoogd door ftroomen, Die van de Pool langs Fero komen,

Met Spaanfche en Franfche zee gemengd.

Na De

Sluiten