is toegevoegd aan je favorieten.

De zedelijke toestand der Nederlandsche natie, op het einde der achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEDERLAND EREN. II. Boek. 93

den Tegenwoordigen {laat der verëenigde Nederlanden, van de zeden der Nederlande; en in het gemeen getuigt:

„ De inwooners der zeven Provinciën in 't algemeen fteeken in naarftigheid en arbeidzaamheid boven veele volken uit. — De kooplieden hier te lande plagten van ouds voor eerlijk en oprecht bij andere volken gehouden te > worden; doch deze goede naam is al zeer aan \ 't verdwijnen. De winzucht en gierigheid, in- ? gewortelde gebreken onze Landsluiden, hebben menigen koopman bedorven en tot eenen bedrieger gemaakt. De Nederlandfche fpaarzaamheid, voor weinige eeuwen zo zeer beroemd, begint thans hoe langer hoe meer uit de gewoonte te raaken. Men weet nu ook onder kooplieden van prachtige landhoeven, koets en paarden, huisraad, poiceleinen, fchilderijën en konlnglijke gastmaalen te fpreken. Overdaad en fpilzucht hebben 'er reeds zoo veelen door hunne middelen geholpen, dat men deze gebreken alömme voor onfeilbare bewijzen van eenen waggelenden ftaat begint te houden. Kostbare kleedij befpeurt men echter allermeest, daar hoven zijn, en in de naafte fteden. De Noordhollanders en Vriezen overtroffen eertijds onze andere landsluiden in zedigheid van kleeding, en hoorden met vermaak, dat men van hun zei de: zou men V dien man wel aanzien, dat

hij