is toegevoegd aan uw favorieten.

Celia, treurspel.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij leest in mijn gelaat gehoorzaamheid en ftraf. Mijn adem is verpest. Het kusfchen van mijn lippen Is voor uw lijk bfiftemd. U moet de ziel ontglippen, Eer ik het wagen durf op uw' beftorven mond Dien kus te drukken. Hem, dien gij naar't levenftondt Dien gij veriedt, moet ik gedwee gehoorzaam wezen. Een teedre omhelzing ftaatmij nu het meest te vreezen. Mijn plicht zou wanklen in uw armen: doof gekust Vloog ze uit mijn hart te rugg'; en 'k fluimerde in derus.t Misdaadig in. Helaas, de wroeging zou mij wachten, Enwekken. Vroeg oflaatmoet ik mijn'plichtbetrachten. Mijn plicht?— maar waarom zegt mijnhartdien plicht

(mij niet?

Mijn hart zwijgt ftiljterwijl mijn plichtmij ietsgebiedt. Gaat dan de plicht niet meer vereendmetmijngeweten? Ook dat zwijgt ftil — of is zijn infpraak mij vergeten? Ben ik dan reeds zo zeer verhard, zo zeer verftokt Dat ik de deugd misken, wiêr beeld mij tot zich lokt? Q Ja — ik ken de deugd, als 't licht is zich te hoeden Voor 't kwaad: Maar 'k dwaal van *t fpoor zo draze in te-

(genfpoeden

Mij wenkt. En dan alleen — wanneer zij ongeneugt En kwelling volgen doet-dan is de deugd eerst deugd.

(Den dolk befcltouwende.) Gelukkig ftaal! gij wordt beftierddoormenfchen handen! Gij onderfcheidt niet wien gij woedend aan zultranden! Ik ben, gelijk als gij, een werktuig — en vooral Wen ik, al wat ik min op aard, vernielen zal. Ik ben in 'sHemels hand, en gij zijt in de mijne! Ach dat de tederheid uit mijn gemoed verdwijne! ö Hemel! geef mij kracht om blindlings toe te fiaan;

Maar