Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

StaatsRkgeerikg.

ia GESCHIEDENIS

hunne verbintenisfen met Engeland vaster toe te haaien. Op den zeventienden van Sprokkelmaand des jaars MDCCXVI. llooten zij met den Koning van Engeland een Verdrag, ftrekkende om de Verdragen en Verbonden van den jaare MDCLXVII, MDCLXV1II, MDCLXX1V, MDCLXXV, MDCLXXVIll , MDCLXXX1X. en MDCCXI1I. te vernieuwen en te bevestigen. Inzonderheid werd het Verdrag van Barrière tusfchen den Keizer en de Staaten van den jaare MDCCXV. op nieuw bekragtigd, en men beloofde wederzijdsch elkander te zullen handhaaven, in de Bezittingen en Regten reeds varkreegen , of nog bij Verdrag te verkrijgen binnen de paaien van Europa (*). Deeze voorzorg kwam van der Staaten zijde, die dagten voor het bewaaren der Barrière niet te veel omzigtigheids te kunnen betoonen: men hebbe zich hier over te meer te verwonderen, dewijl zij, van hunnen kant, zich verbonden, om Groot-Brittanje te handhaaven in 't afgelegener bezit van Gibralter en Minorca, 't geen zij niet dan noode aan de Engelfche Kroon hadden afgeflaan, en hun vervolgens kon inwikkelen in alle Oorlogen, die Engeland mogt goedvinden te verklaaren. — Op den vijfentwintiglten van Bloeimaand floot de Keizer met Groot-Brittanje een verdeedigend Verbond, waar over zints eenigen tijd gehandeld was; in *t zelve bepaalde men de Staaten

tot

(*) Lamberti, Tom. IX. p. 395. RefoU HolU 1716, bl. 122.

Sluiten