Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELWERK» s$>

.Hoe myn bloemhof kwynr en derft, En 't geboómt' zyn bladren derft, Door de graauwe noordfche buien; Hoe het waterachtig zuien Laage landen onderzet; Koude 't uitzien my belet; Hoe een oosterdooker, vinnig, In het aangezicht, dolzinnig, Met zyn fcherpe tanden fnydt; Hoope toont my zachter tyd, En ik tracht den keer der zaaken Mynen geest ten nut te maaken. eelhart! 'k zeg.dan tot myn ziel: Sterf, all' wat myn oog beviel; Is het vleiend fchoon verdvveenen, Dat de Lente ons wil verleenen, Zet, myn ziel! uw' wensch dan niet Op een goed, dat ons ontfchiet! Heeft deeze onbedendige Aarde Iets, ?o wezenlyk van waarde.

Dat

Sluiten