Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26 MENGEL W ER K.

't Is eigen onderzoek dat hier het best voldoet: 'k Bid goh, dat Hy niet zynen zegen, Bekroon' dit pligtlyk overweegen. Lees ik iets duisters in de onfeilbre bybelblaên;

'k Zie geene Apostelen in ome Predikanten: Waar kreegen deeze Godsgezanten, De magt om over ons te heerfchen toch van daan? Men toon' de godlykheid van hunne zending aan; Wy vordren hiervan , ten bewyze, (en 't is met reden,) Een heilzaam, heetlyk, welbeweezen wonderwerk,

Zo als, in de eerile Christenkerk, O e heiige Apostlen, om hun Leer te itaaven, deeden: Bezitten zy die gaaf, die jezds, onze Heer, Aan zyn gezanten gaf, dan zal geen waare Christen Hun ooit die oppermagt betwisten; Wy vorderen van hun niets meer: Dan zullen wy dat hoog gezantfchap, daar ze op roemen, Erkennen; maar, 'k herhaal 't nog eens, wy vordren dit: En zo er geen van hun die hemelgaaf bezit. Dan vraag ik, mogen zy zigGodsgezanten noemen?

Een

Sluiten