Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 28 )

ftcunzel der menfchenliefde, deze grondflag van het geluk des menschdoms verbroken was!

En twijfelt gij 'er aan, Toehoorders! of die verfijning van zeden de eerfte oirzaak der ongelijkheid onder de menfchen geworden zrji\. Let dan, bid ik u , op de twee volgende aanmerkingen. Vooreerst: De natuur,de vruchtbaare moeder van ons allen, bezit een' onuitputbaarcn rijkdom, genoegzaam om in de behoeften van ons allen volkomen te voorzien , en ons dat alles te fchenken, wat tot ons waar geluk en genoegen vereischt wordt. Maar zij wil, dat wij hare gefchenken matig gebruiken zullen, en in dit gebruik altijd die verftandige fpaarzaamheid navolgen, die alle hare werken en inrigtingen kentekent. Na alles, wat voorafgegaan is , behoef ik thans niet meer te zeggen, dat het 'er zo verre af is, dat deze wet eenige beperking aan onze genietingen toe zou brengen , dat wij in tegendeel noodzaaklijk minder gelukkig worden moeten, van het oogenbh'k af, waarop wij dezelve beginnen te overtreden. Het is ondertusfehen ons eigen geluk alleen niet, dat wij door deze overtreding verftooren ; her geluk van onze medemenfehen wordt 'er ook noodzaaklijk door verwoest. Bij een fpaarzaam en matig genot was 'er, ook van de beste verkwikkingen , voor alle menfchen overvloed voor handen : bij een overdadig gebruik, (het welk de verfijning van zeden immer vergezelt, en zonder het welk zij niet beftaan kan) bij een overdadig gebruik is zelfs de gantfche rijkdom der Natuur on-

Sluiten