Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GEZELLIGHEID.

Dan veel geleerd, en ongeleerd,

Verguld, en fchraal Gemeen, Wil, door Barbaarschheid nog beheerd,

In 't duiftre blijven treên. Zwartgallige Ongezelligheid,

Een fpruit van dornmen Waan, Die elk, wie heur begrip niet vleit,

Wil weeren, of ontgaan; Ook 't angflig eenzaam mijmren is 't,

Waaruit dit Kwaad ontfpringt,Dat nooit in 't ruim befmetten mist,

Waar Reden 't niet bedwingt. Wie dan 't gezellig Leeven vliedt,

Schoon Godvrucht zij zijn wensch, Hij kent heur' eisch, noch 't oogwit niet,

Der Schepping van den Mensch. Hij ftort vooral zich in een Hel,

Wien Dweepzucht, Rouw, of Spijt, Gantsch wegfluit, en in Kluis of Cel,

Aan 't werk'loos fuffen wijdt, 't Verkwijnen volgt die Keuze rasch.

Het Lighaam, leevend dood, Verderft, als 't Water, in een Plas,

Van allen ftroom ontbloot. Verbeelding heerscht dan wild en woest.

Het ftaarend brein verltijft.

C 3 Het

Sluiten