Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L I E R D ie H T E N. $g

Van ftroomcn, dat uw lichaetn zwelt Van waterzucht, en parst de planten,

En fchuurt zon menig vruchtbaer velt, En knabbelt aen de ruige kanten,

Nu tusfehen bergh en krommen bult,

Nu door een dal, met wijn gevult.

Al is u eene keel verzant, Die t'huis te Britten plagh te fchaven,

Dat nu verdronken leit op ftrant; De Lek en Ysfel doorgegraven

Vergelden dubbel deze fchaê, En leiden u met hooge dijken

In zee; op dat uw ongenaê De vlakke beemden niet koom' ftrijken

Met macht van regen, en gewelt

Van meeuw, dat in de zonne fmelt.

De hcldre en firarrelich'Le vliet, Die door den hemel vloeit bij duister,

Is d'Italjaenfche Padus niet, Noch ook de Nijl, tgijptens luister;

Neen zeker, 'tis de rijke Rijn, Wiens visfehen, met een wuft gewemel,

In 't onbevlekte kristalijn Van eenen onbetrokken hemel,

Met zilvre fchubben zilvcrklaer

Als Harren dolen, hier en daer.

O zuivre en blanke Rijnmeermin, Die mij tot ftervens toe kunt kittelen,

Gij helpt veel zielen aen gewin, <En menigh Graef aen eeretitteleo,

C 2

Sluiten