is toegevoegd aan uw favorieten.

Alle de werken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LIERDICHTE H. SOJ

II. TEGENZANG.

Cjeworftelt door den drang der fchoolen,

In Godtgeleertbcit afgerecht,

Wert zijne zorge, hij de Vecht, Sint Laurens kudde e« kpij bevolen;

Die, vijf paer jacren achter een, Ging weiden in geruste lommer Van zijnen ftaf, bevrijt van konirner.

Wat Herder droeg!) zich zoo gemeen! Gelukkigh zijn d' onnofle harten,

Daer dees getrouwe 't oogh op flaet:

Z' ontbeeren weide, hulp, noch ract, Noch troost, in tegenfpoet, en fmarten,

Men vint veel Leeraers overal,

Maer luttel Vaders in getal.

TOEZANG.

T

JLyaet Loven dan den loftrompetten

Van dezen Helt, aen Godt verlooft, Hem Godtgeleertheits kroon opzetten.

Die gout en diamant verdooft.

De Maimaent wil 't eerwaerdigh hooft Met haren geur en bloefem eieren. Helene komt zijn hair laurieren

Met Kruislpof, noit van groen berooft. Een ander rocme op ftam, en wapen;

De Godtgeleertlicit, die ten ftrijt

Westrenen heden Ridder wijdt, Ziet 's hemels kroon voor hem gefchapen. Dees kroon verduurt laurier, en tijt.

m n c l i v.