Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t IJ K D I C H T E N. $

LIJKKLAGHT

OVER

OVIDIUS NAZO,

Uit Engel Polittasns Latijn yertach.

H ier legt een Roosmch Poëet op d' oevers van Euxijn.

Barbarifche aerde dekt de glori van 't Latijn. Barbarifche aerde dekt den meester der vrijaedjen, Daer d' Ifter heene bruischt langs rotfen en bosfchaedjen,

En Rome fchaemt zich niet, dat het dien Hooftpoëet

Zoo wreet mishandelde, ook veel wreeder dan de Geét. Was in gansch Rusfen dan niet eenen arts te vinden, Die hem in 't quijnen van zijn quaelen quam ontbinden,

Het koude lichaem (loofde, en warmde in 't zachte bedt?

Of met een zoete tong dien fterrefdagh verzet? Of in het uiterfte den pols taste eer hij fcheide? Of een hartfterking voor den dootfnik toebereide ?

Of d' oogen toelook, toen 't gezicht gebrooken (lont?

Of uit medoogentheit de ziel ving met den mont? O ftrijtbaer Rome, gij verlette d' oude vrienden, Zoo wijt van Pontes, daer hem geen van allen dienden;

Men vont 'er geen, noch neef, noch dochter, nochte vrou,

Die hunnen vader trooste in ballingfchap en rou: Recht of hem flechts Koral en ftuure Besfen quellen, En Geeten, tegens kou gedost met bonte vellen:

Recht of een woest Sarmaet, te paerde in fneeu en kou

Met zijn geftreng gezicht den kranken troosten zou; Een weest Sarmaet, wiens hair om hals en hooft en ooren, En wit behijzelt voor 't gezicht, klinkt ffijf bevrooren.

Noch wort dit lijk van Bes, Korallen, en Sarmaet,

En wreeden Geet hefchreit, in dien bedroefden ftaet. De bergen, bosfchen, en de wilde dieren weenen, En d'Iftcr in zijn kil omhout zich niet van fteeqea, A 3

Sluiten