Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S.10 MENGELDICHT.

DE VIJFDE HERDERSKOUT.

jVIcnalk, met Moprus, hier op Dafnis dootbaer weent: Zij voeren hem om hoogh ^n 't midden van de Goden,

En bidden, dat hij 't volk van daer zijn gunst verleent, Voor offerwijn en melk, zijn Godtheit aengeboden.

DE ZESTE HERDERSKOUT.

Sileen, des Wijngodts knaep, in zijne dronkenfehap Noch ronkende verrascht , en aengeperst tot zingen,

Verheft zijn fchelle ftem, cn zet zijn zinnen febrap, Ontvouwt hun 's weerelts wiegh, gemengt met vremde dingen.

DE ZEVENSTE HERDERSKOUT.

T oen Melibeus vast den bok der kudde zocht, Riep Dafnis hem in 't groen, daer m' om den Zangprijs twiste:

Hij floot dat Koridon ruim Thyrfis overmoght, Welk vonnis het gefchil van 't zangers wedfpel diste.

DE ACHTSTE HERDERSKOUT.

De droeve Damon klaeght, hoe Mopfus drijken gaet Met Nifi, zijn vriendin, en oorzaek van zijn fterven.

Alfcfibcus zoekt aen toverkttnden baet, Om entlijk heul en troost bij Dafnis te verwerven.

DE NEGENDE HERDERSKOUT. -

M en hoort hoe Mcris zich, op wegh, bij Lyeidas Bcklaeght, om 't krijgsgewelt, waer voor het Recht moet vlieden;

Zij reizen nietemin, en (of 't hunn' druk genas) Verkorten tijt en reis met aengename lieden.

Sluiten