Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ABRAHAM BLANKAART, %

wylen invallen, daai' ik dceze Kinderen lief om heb L en daar ik hen , fioewel dat zy 't niet zouden begrypeii, nooit genoeg voor bedanken kan. Zo dat, zo lang als men leerens lust heeft, kan men ïceren, en zich nuttig bezig hoüden, al ziet daar niemand ièt het minftc van.

De Roomfche lieden zeggen4 dat de Beelden boeken voor de Leeken zyn, en daar is wat aan. Hoe, is een onbefchaamd beeld niet zo nadeelig voor de deugd van jonge lieden, als een ontuchtig baldaadig boekje? En wanneer het af beeldzei van onze Vrkndinne Styntje, — die, hoe Protcstantsch zy is , toch het uitkykje Van een heiligje heeft — Styntje naar 't leven, en door eeii groot Weester gefchildcrd, daar op myn Kamer hing, zoit my dit niet byna Zo Veel goeds inboezemen , als of ik met haar fprak ? Ik zou haar zedig, ootmoedig, Cluïstelyk verftand aanduidend gezichtje maar behoeven te zien, dunkt my j om van alle afgödeïy" en te verregaande fchepzelliefde geneezen te worden. Haare gedaante is eeUe treffende Copy van het eerfte gebod: Gy zult geene hhderê Goden voet' myn aangezkhte hebben* De gemeene man kan zich over de zon eii maan , zo als die in het blaauwc üitfpanfei te.pronk ftaan, wel verwonderen 5 de boer God wel danken voor de vrugtbaarheid, waar aan de zoll zo veel toebrengt; de jonge Knaap als hy met zyn Landmeisje — zo als ik dat, toen ik Buiten by 11 was, op het bankje agter aaa dén A a Kerk-

Sluiten