is toegevoegd aan uw favorieten.

Brieven van Abraham Blankaart.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'fBRAHAM BLANKAAR. T. S33J

ï?gt eens, en elk geeft by beurte wat toe; want zy hebben elkander brood noodig, zullen zy pret hebben. Evenwel, hoorde ik uw Jan dikwyls telgen den oijdften Willis zeggen: ,, nu, Gerrit, ,, nu ben ik Paard , maar nou mot jy ook eens Paard zyn; " — terwyl eene der Zusjes in dc zogenaamde koets zit, dat is, tusfchen twee koorden mee loopt, als zy naar buis rydt.

En dan zit Heintje, heel deftig, en nog meer gemaakt, om tpch opgemerkt te worden, in het Boekje van van Alphen te gonfen, of houdt zich , of hy printjes ziet. Jk zeg nog eens , Kind , het ftaat my niet aan. En , fchoou ik zeer wel weet, dat noch Papa, noch gy, niets,, dat wat zeggen wil, van Zqontjes raadgeeyingen gebruikt, en gy vooral hem zqud naryen, zo, hy ju uw byzyn den meester bcrisper fpeejen wilde , over zoete kinderen , die wild en dartel, maar goed en gehoorzaam zyfl ? zo geloof ik echter, dat de qolyke Jongen reeds tc veel meester fpeelt, vooral over.dien goeijen gqffe} doffel van een Jan , die waarlyk , om zyn lief eenvoudig hart, veel meer te pryzen is , dan Heintje, om zyne allerzeldzaamfte vermogens van verftand. Geloof my, Saartje, dat Jongetje was reeds u — hoe zeer gy. van zesfen klaar zyt, en kunt ryden en omzien —- te flim; en 't is nog al toetegeevcn qok; yvant hy kan, als hy wil, onwecrftaanbaar inneemend zyn, en 't is een regt mooije. |ongen, een gezond Voordeelig kind; ik weet het alle? 5 maal;