Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gefchiedenis der Jooden. n afd. 213

twee te voorfchijn kwamen: de een voor de Oosterfche , de ander voor die Jooden , die in de Westerfche Landen woonden. In fomraige gevallen hadden zij zelfs een, hoewel zeer klein en bepaald, burgerlijk rechtsgebied over hunne geloofsgenooten. En deeze regeeringwijze der Jooden, door mannen uit hun eigen Volk , duurde , onder de befcherming van Heidenfche zoo wel als Christelijke keizers, tot zelfs in het begin der vijfde eeuw,

III. Echter konden de Jooden zich nog niet zoo fpoedig gewennen, om het verlies, van zoo veele , hun onbefchrijflijk dierbaare voordeelen, geheel gerust te aanfehomven. De herinnering aan alles, wat zij van de Romeinen geleeden hadden, en het denkbeeld, dat zij nu , zonder hunnen plegtigen Godsdienst naar gewoonte te kunnen oefenen, bijna overal onder Heidenen gemengd en aan de opperheerfchappij der Heidenfche Volken geheel onderworpen zouden zijn; beiden waren reeds zeer hard voor de Jooden. Doch de ontwijfelbaare zekerheid, welke zij hadden, dat hun reeds voor veele eeuwen een groot verlosfer door God was toegezegd, die juist op dien tijd onder hen had moeten verfchijnen, toen hun ongeluk den hoogden trap had begonnen te beldimmen: deeze zekerheid wekte de begeerte bij hen op, om zeiven iets tot hunne beloofde redding, welke zij nog fteeds als enkel tijdliïk befchouwden, toetebrengen. Nog geen vijftig jaaren dus na O 3 der

De Joo. den verzetten zich andermaal tegen de Rmminen en leeren, eindelijk , rustig leeven.

Sluiten